Het andere verhaal’: hoe je ruimte maakt voor vergeten geschiedenissen in taal en cultuur

Er worden in Suriname en het buitenland de laatste tijd steeds vaker activiteiten georganiseerd om Surinaamse lokale talen en culturen in leven te houden. Zoals het jaarlijkse Sranantongo-dictee, SUPERSHARDA (Surinaamse influencer) die online actief educatie geeft over Suriname, en het Kwakoe-festival in Nederland. Online merk ik een ander verhaal: het Sranantongo wordt door sommigen nog steeds gezien als een “straattaal”. 

In het Surinaams parlement wordt voornamelijk Nederlands gebruikt, terwijl veel Surinamers en ook veel bezoekers en nieuwkomers het in de praktijk snel Sranantongo oppikken. De vele talen die Surinamers spreken, krijgen nog weinig plek in ons onderwijs als officiële vakken.

Dit artikel gaat over het andere verhaal: hoe je in taal en cultuur ruimte maakt voor geschiedenissen die niet in het standaardplaatje passen. Niet door het “grote verhaal” af te breken, maar door het aan te vullen, zodat meer mensen zichzelf erin kunnen herkennen.


Wat bedoelen we met “het andere verhaal”?

“Het andere verhaal” is geen geheim archief dat ergens op je ligt te wachten. Het zit vaak heel dichtbij, maar je moet leren kijken (en luisteren) op andere plekken dan je gewend bent.

Je vindt het bijvoorbeeld in:

  • Perspectief: wie vertelt, en voor wie? Wie krijgt vanzelf het woord, en wie wordt alleen genoemd als bijzin? Denk aan een groot deel van schoolliteratuur dat je voor je kreeg, dat niet vanuit het Surinaamse perspectief werd geschreven.

  • Taalkeuze: welke woorden gelden als “netjes”, en welke worden weggezet als dialect, straattaal of “gebrekkig”? In media en online discussies wordt Sranantongo/‘Surinaams’ soms nog als ‘straattaal’ aangeduid.  

  • Culturele reflexen: welke boeken, liederen en herinneringen worden “algemeen” genoemd, en welke blijven “iets van daar” of “iets van thuis”?

Vergeten geschiedenissen zijn niet altijd letterlijk vergeten. Ze zijn vaak weggeduwd of gewoon niet meegenomen in onderwijs, media, literatuur en dagelijkse gesprekken. Niet omdat niemand ze ooit vertelde, maar omdat er minder ruimte voor werd gemaakt. En als iets lang genoeg niet wordt herhaald, voelt het op een gegeven moment alsof het nooit heeft bestaan.


Waarom taal een sleutel is

Taal is meer dan een instrument om informatie door te geven. Taal is óók een archief. Niet netjes geordend, niet perfect, maar wel vol sporen.

In woorden zitten bijvoorbeeld sporen van:

  • Migratie en ontmoeting (woorden die meereizen, blijven hangen en veranderen)

  • Machtsverhoudingen (wie bepaalt wat “correct” is?)

  • Schaamte en trots (wat je wel zegt en wat je inslikt)

  • Identiteit en groepsgevoel (waar je bij hoort, en waar je buiten valt)

Wanneer een taalvariant als minderwaardig wordt gezien, verdwijnen er niet alleen klanken of woorden. Er verdwijnen ook ervaringen. Als iemand leert dat de eigen manier van praten “fout” is, leert die persoon soms ook heel subtiel dat het eigen verhaal minder telt.

En dat werkt door. In het ergste geval in gesprekken waar mensen hun zinnen inslikken omdat ze bang zijn om “dom” over te komen, of om als minderwaardig te worden gezien. Of in klaslokalen en bibliotheken, waar een groot deel van de literatuur niet voorkomt in de andere talen waar Suriname rijk aan is, en waar veel verhalen niet vanuit ons lokale perspectief zijn geschreven.


Kleine ingrepen die veel doen

Je hoeft geen historicus of taalwetenschapper te zijn om ruimte te maken voor andere verhalen. Juist in dagelijkse handelingen—bijvoorbeeld in hoe je praat, schrijft, citeert en luistert—kun je al veel verschuiven. Hieronder staan drie praktische manieren om dit te doen:

1 Kies woorden die openen, niet sluiten

Sommige zinnen lijken onschuldig, maar ze kunnen meteen een reden zijn voor anderen om dicht te klappen of om onzeker te worden om Nederlands te spreken. Denk aan:

  • “Dat is geen echt Nederlands.”

  • “Zo praat je toch niet?”

  • “Dat is maar straattaal.”

  • “Hoe heeft hij die functie gekregen?”

  • “Is ze wel naar school gegaan?”

Wat eronder ligt, is vaak: jouw taal telt minder mee. En dus: jij telt minder mee.

Probeer die reflex te vervangen door nieuwsgierigheid:

  • “Waar komt dat woord vandaan?”

  • “Wie gebruikt het, en wanneer?”

  • “Wat betekent het voor jou (of in jouw omgeving)?”

Zo verschuift een gesprek van oordeel naar betekenis. En dat is precies waar het andere verhaal kan ontstaan: op het moment dat iemand merkt dat er wél geluisterd wordt.

2 Noem bronnen en mensen die vaak ontbreken

Veel lijsten, lessen en aanbevelingen lijken neutraal, maar zijn het niet. Ze herhalen vooral wat al lang als “belangrijk” is bestempeld.

Maak daarom bewust de volgende zaken zichtbaarder:

  • Plaats Surinaamse schrijvers en schrijvers met een migratieachtergrond zichtbaarder in bibliotheken.

  • Geef ruimte aan lokale vertellers, spoken word en orale tradities, naast de vaste activiteiten in je klaslokaal of bibliotheek.

  • Deel verhalen die niet passen in “normaal” taalgebruik, maar wél iets dragen.

  • Breng verhalen onder de aandacht in de vele talen waar Suriname rijk aan is.

  • Geef kinderen de ruimte om op school (ook) te kunnen leren in hun eigen taal.

Dat is geen quotum en geen “extraatje”. Het is een correctie: je maakt zichtbaar wat er al is, maar je kreeg lang niet dezelfde microfoon.

En je hoeft niet meteen een complete leeslijst om te gooien. Begin klein: één extra naam in een aanbeveling. Eén extra bron in een artikel.

3 Laat meer dan één register bestaan

Veel mensen schakelen tussen registers: thuis, op werk, online, bij familie. Dat is geen gebrek aan taal, dat is taalvaardigheid. Het betekent dat je aanvoelt: wat werkt hier, met wie, en waarom?

Als je schrijft of publiceert, kun je dat respecteren door bijvoorbeeld:

  • Een term in standaardtaal te gebruiken, maar ook een lokale term erbij te zetten (en die serieus te nemen).

  • Uitleg te geven zonder te vernederen (geen “alsof je vijf bent”-toon).

  • Te laten merken dat meerdere vormen van taal bestaansrecht hebben, door bijvoorbeeld ook in het Surinaamse parlement andere talen te spreken dan het Standaardnederlands en eventueel met een tolk dit op te vangen. Dit biedt ook een grote hulp aan parlementariërs die het Nederlands niet goed machtig zijn of zich comfortabeler voelen zich uit te drukken in een andere taal.

Je hoeft taal niet “glad te strijken” om het professioneel te maken. Soms is juist de kleur van taal de plek waar geschiedenis zichtbaar wordt.



Conclusie

Het andere verhaal begint niet pas bij grote campagnes of officiële speeches, maar juist in hoe we elke dag met taal omgaan. Zolang Sranantongo door sommigen nog wordt weggezet als “straattaal”, terwijl het voor veel Surinamers (en ook voor veel buitenlanders hier) juist dé brugtaal is, blijft er een kloof bestaan tussen wat we zeggen te waarderen en wat we écht serieus nemen. En zolang in het parlement bijna alleen Nederlands klinkt, en onze scholen nauwelijks ruimte maken voor de vele talen waar Suriname rijk aan is, geven we onbewust de boodschap af dat sommige stemmen meer tellen dan andere.

Maar dat kan anders. Door bewust te kiezen voor woorden die openen, door bronnen en makers zichtbaarder te maken die vaak ontbreken, en door meerdere registers en talen bestaansrecht te geven, ook in formele ruimtes. Zo breek je het “grote verhaal” niet af: je maakt het completer. En precies daar zit de kern: geschiedenis is niet af. Taal leeft. Cultuur beweegt. En er kan altijd nog een verhaal bij, dus ook die van ons.




Reacties